Bep

7 jan

De muren bij tandartsen zijn overal ter wereld hetzelfde. Ze zijn altijd geverfd in een pasteltint. Bij voorkeur groen of oranje.
Bep denkt terug aan de wachtkamers die hij gezien heeft.
Op een van zijn eerste tochten was hij over een touw gestruikeld en voorover op het dek gevallen. Er was een hoekje van zijn rechtervoortand afgebroken. Hij had het hoekje bewaard in zijn binnenzak, maar toen ze drie dagen later de haven binnenvoeren moest hij eerst helpen lossen. In de vrije uurtjes tussen het lossen en het laden was hij het dorp in gegaan op zoek naar een tandarts. In gebrekkig Engels had de tandarts duidelijk gemaakt dat de tand niet meer gerepareerd kon worden.
Toen hij negentien was hadden de dokters een nieuwe operatie bedacht. Ze konden zijn lip dichtmaken. Het had hem niet zo veel uitgemaakt, hij was er al aan gewend, maar zijn moeder had geen moment getwijfeld. De dag na zijn operatie was hij weer gegaan. Naar Spanje. De draadjes zaten nog in zijn lip maar hij had de kapitein gezegd dat er met zijn handen niets mis was en dat die draadjes best een tijdje konden blijven zitten. Na twee weken waren ze gaan ontsteken. Moest hij in Spanje naar een dokter. De dokters in Nederland waren boos, maar zijn huisarts begreep het wel. Het litteken wat van zijn bovenlip naar zijn neus liep was nu iets breder maar zijn moeder vond het beter dan het gapende gat wat er eerst had gezeten. ‘Wacht maar, vandaag of morgen neemt Bep een prachtig meissie mee naar huis’ had ze tegen zijn vader gezegd. Die had zijn schouders opgehaald.
Bep gaf niet zo om meissies. Op de Kaap zag hij de vrouwen achter hun ramen staan maar dat deed hem niets. In de kroegen in de havens kwam hij wel eens meisjes tegen. Dan deden ze soms wel wat op het toilet of in een donker hoekje van de kroeg. ‘Je komt wel gewoon met een gezonde Hollandse meid thuis hoor!’ zei zijn oma als hij haar opzocht wanneer hij weer op de Kaap was. De Chinezen konden lekker koken vond ze, maar voor haar kleinzoon wilde ze een Rotterdamse.

Emma

24 nov

Aan het eind van dit uur vergaat de wereld.
Dat wist u nog niet.
Dat geeft niet.
Misschien is het ook niet waar.
Maar stel, stel dat aan het eind van dit uur de wereld vergaat.
Wat wilt u dan nog gedaan hebben?
Wilt u mensen gedag gezegd hebben?
Gekust?
Gezoend?
Geslagen?
Gepraat?
Geneukt?
Gegeten?
Wilt u mensen vermaakt hebben?
Verloren?
Verliefd?
Vertrouwd?
Verkozen?
Vermoord?

Stel dat we aan het eind van dit uur beginnen met tellen.
Aftellen.
Aftellen vanaf tien.
Tien.
Negen.
Acht.
En dat dan na de één de wereld vergaat.
Als dat waar is.
Wat moet u dan nog gedaan hebben?

Ik weet wat ik gedaan moet hebben.
Ik weet het al mijn hele leven.
En ik ga er nu aan beginnen.

Brief aan Joris

19 nov

Joris,

Hoe is het eigenlijk op die wolk van je?
Kan je wel horen wat ik je zeg? Kan je horen wat ik naar je fluister, ’s avonds in mijn bed? Kan je zien wat ik doe hier op de aardbol? Zie je hoe het met papa en mama gaat? Zie je je kamertje? Hoor je daar boven ook vogels?
Ik vroeg me laatst af of we het allemaal wel goed gedaan hebben. Of je niet heel veel pijn gehad hebt. Of je ons op het laatst nog wel kon horen als je zo lang sliep. Of je kon horen hoe we je voorlazen uit ‘Wij gaan op berenjacht’. Of je weet dat ik een keer over je bed ben geklommen, er onderdoor gekropen ben, toen mama dat boek voorlas. ‘We gaan er dwars doorheen!’ Heb je me toen horen schaterlachen?
En alle dokters? Heb je daar iets van gemerkt? Hebben ze je geen pijn gedaan? Hebben ze je niet te lang aan alle draadjes gehouden? Heb je veel last gehad van de chemo’s?
Toen besefte ik het allemaal niet. Jij ging beter worden. Dat je daar keihard voor moest vechten had ik in het begin niet eens door. Tot je haar uitviel. Toen zag je er opeens een stuk zieker uit. Alle zorgen, alle onderzoeken, de pijn, de vermoeidheid, de misselijkheid; ik dacht er niet over na.
Ik genoot alleen maar als ik met papa of mama naar het Ronald McDonald huis mocht. Of toen we met z’n allen naar Avifauna gingen via zo’n stichting. Jij mocht wat wensen en je wilde zo veel mogelijk vogels. Ik heb die hele dag jouw rolstoel geduwd. Ik was zo trots. Ik wilde het de hele wereld laten zien. Dit is mijn broertje en we zijn hier speciaal voor hem! We mogen achter de schermen omdat mijn broertje zo bijzonder is!
Waarschijnlijk hebben de meeste mensen vol medelijden naar jouw kale hoofd gekeken, naar het slangetje voor de zuurstof onder je neus. Ik heb niets gemerkt. Jij was mijn broertje en verder deed het er niet toe.
Je weet het toch nog wel he Joris? Hoeveel we van je houden? Hoeveel papa en mama van je houden en hoeveel ik van je hou? Je hebt het toch wel gemerkt? Dat jij alles voor mij was?
Is het leuk daar op die wolk? Heb je nu geen pijn meer? Groei je door of blijf je altijd zeven?
Ik hoop dat het er fijn is. Fijner dan hier. Ik hoop dat je ons kunt zien. Dat je mij kunt zien.

Liefs, Lize

Ongrijpbaar

9 nov

Er zijn dingen die je niet vast kunt houden. Water. Water kun je niet vasthouden. Zand ook niet. Lucht niet. Sommige dingen kan je niet vangen. Het zal altijd tussen je vingers doorglippen. Licht. Licht kun je niet vangen. Je kan niet het donker oproepen door het licht te grijpen met je blote handen. Er zijn abstracte dingen. Dingen die je niet kunt zien en niet kunt vangen. Liefde. Geluk. Verdriet. Geur. Warmte. Je kan wel willen vangen maar je hebt geen idee waar je moet grijpen. Je graait wat in het niets en blijft met lege handen achter.

Ik lees de dingen die je schrijft. Ik hoor de dingen die je zegt. Ik weet de dingen die je ziet. Ik voel dat wat je voelt. Ik denk dat mijn gedachten soms de jouwe zijn.
Ik ken je als mijn fijnste spijkerbroek. Als de eerste strofe van het mooiste gedicht dat ik las. Als het recept voor dat wat ik het liefste eet. Ik ken je als het lichtknopje dat ik in het donker zonder tasten weet te vinden.

Als ik je vraag hoe ik je kan helpen weet ik dat je me vraagt het niet te doen. Als ik je vraag wat je wilt eten weet ik dat je zegt dat je niets hoeft. Als ik je vraag of het goed gaat weet ik dat je ja zult zeggen. Hooguit jawel en nooit nee.

Er zijn mensen die je niet vast kunt houden. Jij. Ik.
We kunnen elkaar wel willen vasthouden, maar we weten niet waar we beginnen met bestaan.

Lotte

26 okt

Nog doen:
- Jurkje strijken
- Haren invlechten
- Gezichtje opmaken
- Bloemen regelen
- Koffie en cake bestellen
- Eigen zwarte schoenen ophalen bij de schoenmaker
- Speech afschrijven
- Beer erbij stoppen
- Kussen
- Huilen

Sneeuw

26 okt

Ik was zestien, zij was veertien. Voor het eerst sinds jaren lag er weer sneeuw. Ze vond sneeuw fantastisch. Om half zeven stond ze in mijn kamer. ‘Suus! Sneeuw!’ Ik opende mijn ogen. De avond ervoor was ik naar een concert geweest en de klanken van het laatste nummer bonkten nu na in mijn hoofd. Ze wierp me een sjaal toe. Ik keek naar haar. Ze leek op het stoffen popje dat ik tot mijn zesde overal mee naar toe had gesleept. Ze was heel goed ingepakt, een sjaal, muts, wanten, winterjas en haar wandelschoenen. Ik ging langzaam rechtop zitten. Eigenlijk wilde ik meteen weer gaan liggen. ‘Kom je mee naar buiten?’. Ze glimlachte breed. Ik haalde diep adem. ‘Ik kom zo’
Even later stond ik buiten. Ik knipperde met mijn ogen. De wereld was wit en dat was niet goed voor mijn hoofdpijn. ‘Wil je helpen?’.  Ze was begonnen met het maken van een sneeuwpop. ‘Dan hebben wij de grootste van de buurt.’ Ik knikte en begon de kleinere bal voor het hoofd te rollen. Het was goede sneeuw, de bal werd groter en groter. Bij elke duw om hem verder te rollen moest ik meer kracht zetten. Bij elke duw bonkte mijn hoofd. Ze straalde. ‘We krijgen echt de grootste!’. Ik knikte en vroeg me af hoe we het hoofd straks op het lijf getild zouden krijgen. Dat bleek geen probleem. Ik vergat altijd hoe sterk ze was. Toen de sneeuwpop klaar was, compleet met een wortel voor de neus en steentjes voor de ogen, ging ze er van een afstandje naar staan kijken. ‘Is hij goed?’ vroeg ik. ‘Bijna.’ Ze knoopte haar sjaal los en deed hem om de nek van de sneeuwpop. ‘Nu wel.’ Ze ging er naast staan. ‘Wil je een foto maken?’

Joris

26 okt

‘Weetje mam, als ik zo lang slaap dan kan ik vliegen.’
Ik keek naar hem.
Zijn huid was bijna net zo wit als de lakens van zijn bed.
Zijn muur hing vol met vrolijk gekleurde kaarten.
Ze zijn altijd kaarten blijven sturen, ook tijdens de grote vakantie.
Zelfs toen zij al over gingen naar groep zes en hij hier bleef.
Ze waren er ook allemaal.
Ze hebben allemaal een witte veer neergelegd.
Met een briefje.
Omdat hij zo graag wilde vliegen.
Lize hield mijn hand vast toen ze alle slangentjes losmaakten.
‘Fijn he mam, dat Joris nu los is, nu kan hij echt vliegen.’

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.