Als ik uit bed stap is het eerste wat ik zie een streepje opgedroogd bloed op mijn scheenbeen. Het is het mooiste beeld wat deze ochtend mij kan geven. Het maakt me gelukkig. Er zaten gaatjes in mijn been, daar kwam bloed uit. Het bloed maakte een vlek op mijn deken en droogde op in een streepje. Een donkerrood streepje op mijn linkerscheenbeen.
Het is de bevestiging. Dat ik leef. Dat er iets in mij stroomt wat eruit kan.
Wat beeldende kunst doet
In Berlijn bezocht ik het Hamburger Bahnhof (www.hamburgerbahnhof.de) en liet ik mij inspireren door dat wat ik zag. Dit is het resultaat.
Juist in de ruimte zonder ziel schreeuwt je ziel keihard. Het is er te koud. Anders was het een goede plek voor een confrontatie. Of om gek te worden. Als dat niet hetzelfde is.
Voor ik hier was was ik bij een woonwagen zonder dak. Ik zat in de tuin en vroeg mij af wie er zou wonen. Een al dan niet verstrooide professor was te makkelijk. Een kunstenaar ook. Het leek mij spannender als er een topmodel zou wonen. Ik stelde me voor hoe ze haar hakken op het hoogste punt, vlak voor de steile daling, uit zou moeten trekken. Of ze zou sterke enkels moeten hebben, dan kon ze ze gewoon aanhouden.
Er was een stadspark binneshuis. Met lucht en planten die ik vaag herkende uit de tuin van Oma D. Ik zocht naar namen maar vond ruis. Een stilte die mijn hoofd deed suizen.
Davinci’s metropolis. Schetsen op bruin papier met zwarte pen. De toekomst waarin wij ons staande houden. Of dat hard proberen.
Heimwee naar thuis zodra je thuis herkent. Eerder bestaat het niet. Eerder is alles vaag. Steden branden, vliegtuigen crashen en meisjes verdrinken. Ik weet het niet meer. De kou blijft blij je tot de hoofdingang. Ik probeer mij te herinneren.
Juist in de ruimte zonder ziel schreeuwt je ziel keihard. Het is een goede plek voor confrontatie. Of om gek te worden.
(geïnspireerd door o.a. ‘Room with my soul left out, room that does not care’ van Bruce Nauman en Cloud Cities van Tomás Saraceno)
Bep
De muren bij tandartsen zijn overal ter wereld hetzelfde. Ze zijn altijd geverfd in een pasteltint. Bij voorkeur groen of oranje.
Bep denkt terug aan de wachtkamers die hij gezien heeft.
Op een van zijn eerste tochten was hij over een touw gestruikeld en voorover op het dek gevallen. Er was een hoekje van zijn rechtervoortand afgebroken. Hij had het hoekje bewaard in zijn binnenzak, maar toen ze drie dagen later de haven binnenvoeren moest hij eerst helpen lossen. In de vrije uurtjes tussen het lossen en het laden was hij het dorp in gegaan op zoek naar een tandarts. In gebrekkig Engels had de tandarts duidelijk gemaakt dat de tand niet meer gerepareerd kon worden.
Toen hij negentien was hadden de dokters een nieuwe operatie bedacht. Ze konden zijn lip dichtmaken. Het had hem niet zo veel uitgemaakt, hij was er al aan gewend, maar zijn moeder had geen moment getwijfeld. De dag na zijn operatie was hij weer gegaan. Naar Spanje. De draadjes zaten nog in zijn lip maar hij had de kapitein gezegd dat er met zijn handen niets mis was en dat die draadjes best een tijdje konden blijven zitten. Na twee weken waren ze gaan ontsteken. Moest hij in Spanje naar een dokter. De dokters in Nederland waren boos, maar zijn huisarts begreep het wel. Het litteken wat van zijn bovenlip naar zijn neus liep was nu iets breder maar zijn moeder vond het beter dan het gapende gat wat er eerst had gezeten. ‘Wacht maar, vandaag of morgen neemt Bep een prachtig meissie mee naar huis’ had ze tegen zijn vader gezegd. Die had zijn schouders opgehaald.
Bep gaf niet zo om meissies. Op de Kaap zag hij de vrouwen achter hun ramen staan maar dat deed hem niets. In de kroegen in de havens kwam hij wel eens meisjes tegen. Dan deden ze soms wel wat op het toilet of in een donker hoekje van de kroeg. ‘Je komt wel gewoon met een gezonde Hollandse meid thuis hoor!’ zei zijn oma als hij haar opzocht wanneer hij weer op de Kaap was. De Chinezen konden lekker koken vond ze, maar voor haar kleinzoon wilde ze een Rotterdamse.
Emma
Aan het eind van dit uur vergaat de wereld.
Dat wist u nog niet.
Dat geeft niet.
Misschien is het ook niet waar.
Maar stel, stel dat aan het eind van dit uur de wereld vergaat.
Wat wilt u dan nog gedaan hebben?
Wilt u mensen gedag gezegd hebben?
Gekust?
Gezoend?
Geslagen?
Gepraat?
Geneukt?
Gegeten?
Wilt u mensen vermaakt hebben?
Verloren?
Verliefd?
Vertrouwd?
Verkozen?
Vermoord?
Stel dat we aan het eind van dit uur beginnen met tellen.
Aftellen.
Aftellen vanaf tien.
Tien.
Negen.
Acht.
En dat dan na de één de wereld vergaat.
Als dat waar is.
Wat moet u dan nog gedaan hebben?
Ik weet wat ik gedaan moet hebben.
Ik weet het al mijn hele leven.
En ik ga er nu aan beginnen.
Brief aan Joris
Joris,
Hoe is het eigenlijk op die wolk van je?
Kan je wel horen wat ik je zeg? Kan je horen wat ik naar je fluister, ’s avonds in mijn bed? Kan je zien wat ik doe hier op de aardbol? Zie je hoe het met papa en mama gaat? Zie je je kamertje? Hoor je daar boven ook vogels?
Ik vroeg me laatst af of we het allemaal wel goed gedaan hebben. Of je niet heel veel pijn gehad hebt. Of je ons op het laatst nog wel kon horen als je zo lang sliep. Of je kon horen hoe we je voorlazen uit ‘Wij gaan op berenjacht’. Of je weet dat ik een keer over je bed ben geklommen, er onderdoor gekropen ben, toen mama dat boek voorlas. ‘We gaan er dwars doorheen!’ Heb je me toen horen schaterlachen?
En alle dokters? Heb je daar iets van gemerkt? Hebben ze je geen pijn gedaan? Hebben ze je niet te lang aan alle draadjes gehouden? Heb je veel last gehad van de chemo’s?
Toen besefte ik het allemaal niet. Jij ging beter worden. Dat je daar keihard voor moest vechten had ik in het begin niet eens door. Tot je haar uitviel. Toen zag je er opeens een stuk zieker uit. Alle zorgen, alle onderzoeken, de pijn, de vermoeidheid, de misselijkheid; ik dacht er niet over na.
Ik genoot alleen maar als ik met papa of mama naar het Ronald McDonald huis mocht. Of toen we met z’n allen naar Avifauna gingen via zo’n stichting. Jij mocht wat wensen en je wilde zo veel mogelijk vogels. Ik heb die hele dag jouw rolstoel geduwd. Ik was zo trots. Ik wilde het de hele wereld laten zien. Dit is mijn broertje en we zijn hier speciaal voor hem! We mogen achter de schermen omdat mijn broertje zo bijzonder is!
Waarschijnlijk hebben de meeste mensen vol medelijden naar jouw kale hoofd gekeken, naar het slangetje voor de zuurstof onder je neus. Ik heb niets gemerkt. Jij was mijn broertje en verder deed het er niet toe.
Je weet het toch nog wel he Joris? Hoeveel we van je houden? Hoeveel papa en mama van je houden en hoeveel ik van je hou? Je hebt het toch wel gemerkt? Dat jij alles voor mij was?
Is het leuk daar op die wolk? Heb je nu geen pijn meer? Groei je door of blijf je altijd zeven?
Ik hoop dat het er fijn is. Fijner dan hier. Ik hoop dat je ons kunt zien. Dat je mij kunt zien.
Liefs, Lize
Ongrijpbaar
Er zijn dingen die je niet vast kunt houden. Water. Water kun je niet vasthouden. Zand ook niet. Lucht niet. Sommige dingen kan je niet vangen. Het zal altijd tussen je vingers doorglippen. Licht. Licht kun je niet vangen. Je kan niet het donker oproepen door het licht te grijpen met je blote handen. Er zijn abstracte dingen. Dingen die je niet kunt zien en niet kunt vangen. Liefde. Geluk. Verdriet. Geur. Warmte. Je kan wel willen vangen maar je hebt geen idee waar je moet grijpen. Je graait wat in het niets en blijft met lege handen achter.
Ik lees de dingen die je schrijft. Ik hoor de dingen die je zegt. Ik weet de dingen die je ziet. Ik voel dat wat je voelt. Ik denk dat mijn gedachten soms de jouwe zijn.
Ik ken je als mijn fijnste spijkerbroek. Als de eerste strofe van het mooiste gedicht dat ik las. Als het recept voor dat wat ik het liefste eet. Ik ken je als het lichtknopje dat ik in het donker zonder tasten weet te vinden.
Als ik je vraag hoe ik je kan helpen weet ik dat je me vraagt het niet te doen. Als ik je vraag wat je wilt eten weet ik dat je zegt dat je niets hoeft. Als ik je vraag of het goed gaat weet ik dat je ja zult zeggen. Hooguit jawel en nooit nee.
Er zijn mensen die je niet vast kunt houden. Jij. Ik.
We kunnen elkaar wel willen vasthouden, maar we weten niet waar we beginnen met bestaan.
Lotte
Nog doen:
- Jurkje strijken
- Haren invlechten
- Gezichtje opmaken
- Bloemen regelen
- Koffie en cake bestellen
- Eigen zwarte schoenen ophalen bij de schoenmaker
- Speech afschrijven
- Beer erbij stoppen
- Kussen
- Huilen
